Meditatie

De Heiligheid van de Heere

Heilig, heilig, heilig is de Heere van de legermachten. Jes. 6: 3

Onlangs bij het opruimen van de boekenkast vond ik in een oud boek een handgeschreven papiertje. Het briefje is met een oud, sierlijk handschrift dat hier en daar wat bibberig overkomt, zo te zien met zorg en aandacht geschreven. De woorden komen bij het lezen bij mij binnen. Vragen schieten door mijn hoofd. Wie zou het opgeschreven hebben? Wat moet ik hiermee? Ik wil het in de eerste plaats hier met u delen. Het briefje klonk als volgt;

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer.

Het is zondagmorgen. De dienst gaat bijna beginnen. In de kerk zit een jongetje van drie jaar. Hij mag voor het eerst mee. Hij voelt zich heel erg groot. Zijn vader heeft gezegd dat hij stil moet zitten want de Heere is ook in de kerk. Het kleine jongetje is eerbiedig gaan zitten, want als de Heere er ook is…! Het wordt stil in de kerk. De kerkenraad komt binnen. Nu komt de Heere denkt het jongetje. Maar nee, hij ziet de dominee en de mannen die hem helpen. Daar heeft zijn vader hem over vertelt. Maar misschien komt de Heere straks? Het kind blijft rustig afwachten. Hij ziet een paar grote mensen in slaap vallen. Zouden zij soms niet weten dat de Heere komt? Hij ziet een paar andere kletsen en lachen, het is gewoon een herrie af en toe op een bepaalde bank. Het jongetje gaat er steeds minder van begrijpen en opeens schrikt hij. Al die mensen weten het niet natuurlijk. Ze weten niet dat de Heere vanmorgen hier komt. Of zou zijn vader het verkeerd begrepen hebben? Voorzichtig schuift hij naar zijn vader toe; ‘Papa, u heeft zich zeker vergist. De Heere komt vast volgende week.

Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen.

De laatste woorden vinden we terug in Jesaja 6: 3 waar de Serafs rond de troon van de Heere dit elkaar toeroepen. Jesaja ziet in een visioen de Heere op zijn hoge en verheven troon. Wat een machtig beeld heeft hij van de Heere. Maar wanneer hij dit alles ziet slaat de angst hem om het hart. Hij roept het uit; ‘Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man onrein van lippen.’

Dit zijn woorden die tot nadenken zetten. Zowel de kleine jongen in de kerk als Jesaja hebben eerbied en ontzag voor de Heere. De jongen verwacht de Heere als de een koning die zijn opwachting maakt. Jesaja heeft oog voor de heerlijkheid en almacht van de Heere. Hij is als de psalmist van psalm 130 die zegt; ‘Als U, Heere, op de ongerechtigheden let, Heere wie zal bestaan?’

Herkennen we ons hier vandaag nog in? Zien we de Heere nog als de Eeuwige, de Almachtige Die hoogverheven is? Is er nog eerbied en ontzag voor de Heere van de legermachten? Jesaja weet wie hij als zondaar is te midden van een zondig volk. Hij kan niet bestaan nu hij de Koning, de Heere van de legermachten heeft gezien. Nee, uit zichzelf kan hij dat niet. Wie zal immers God zien en leven? Maar dan komt een van de serafs naar hem toe met een gloeiende kool in zijn hand en raakt daar de mond van Jesaja mee aan. Zo wordt Jesaja van zijn zonden verzoend.

We hebben verzoening van onze zonden nodig willen de Heere zien en leven. Hij moet onze misdaden wegdoen en vergeving schenken. God is zo heilig, rein en vol heerlijkheid en majesteit dat we niet tot Hem kunnen komen. We zouden vergaan wanneer er geen verzoening heeft plaatsgevonden. Daarom is de Hij naar ons toegekomen in Zijn Zoon de Heere Jezus Christus. Hij heeft verzoening gebracht door Zijn eigen leven te geven aan het kruis op Golgotha.

Wanneer we Hem mogen ontmoeten in de kerkdiensten. Wanneer Hij komt in Zijn gemeente, waar Hij Koning der koningen is. Hoe zult u hem dan ontmoeten? In slaapgevallen, pratend en lachend, zonder aandacht? Of als die kleine jongen, eerbiedig, want de Heere komt. Nee, zijn vader had het niet verkeerd begrepen. Begrijpt u het?

ds. M.J. van Keulen