
En Ezra loofde de HEERE, de grote God, en heel het volk antwoordde, onder het opheffen van hun handen: Amen, amen!
Nehemia 8: 7a
En Ezra loofde de HEERE, de grote God, en heel het volk antwoordde, onder het opheffen van hun handen: Amen, amen! Nehemia 8: 7a
In elke kerkdienst wordt het amen uitgesproken door de prediker, die het Woord Gods heeft gebracht. Zoals de bidder zelf aan het eind van zijn gebed ook amen zegt. Amen fungeert bij ons als afsluiting. De hoorders hijgen soms naar het amen. Kinderen vragen: Wanneer zegt de dominee nu eindelijk eens amen?
Maar dat is de eigenlijke bedoeling van dit woord niet. Amen is een betuiging: het zal waar en zeker zijn; zo is het. Het is een teken van instemming om amen te zeggen. Het vraagt daarom van de luisterende gemeente aandacht en tegelijk geloof in wat gezegd wordt. Van het horende volk wordt verwacht dat het amen zal zeggen. Het is tegelijk een oproep dat luisteren een actieve aangelegenheid is, die vraagt om verwerking van het gehoorde opdat men er van ganser mee zal kunnen instemmen en er amen op zal kunnen zeggen.
Ezra staat op het platform. Hij opent, zoals Jezus het later zal doen in de synagoge van Nazareth, de boekrol. Het volk gaat staan. Als de Heere Zijn Woord tot ons richt, past eerbied. Voor Israël bestond die eerbied uit het gaan staan als Gods Woord werd gelezen. Dat het volk dit doet, bewijst dat het wetboek van Mozes erkend werd als het boek van de Godsopenbaring, als Gods eigen Woord.
Onze gewoonten zijn anders. Maar of wij de nodige eerbied betrachten als we Gods Woord horen op lezen, is zeer de vraag. We zijn zo gewoon en vertrouwd geraakt met de Bijbel, dat we maar moeilijk ons realiseren dat de stem van de Heere Zelf in dat Woord klinkt. Zegt het Woord ons daarom ook vaak zo weinig?
Voor de eigenlijke voorlezing begint looft Ezra de Heere, de grote God. We zullen moeten denken aan een soort doxologie, een lofverheffing, waarmee ‘de dienst’ inzet. Er is alle reden om de Heere te loven, nu Hij Jeruzalems muur deed herbouwen en nu het volk vraagt om en luistert naar Gods wet.
Op de lof die Ezra uitspreekt aan Gods adres volgt de instemming van het volk, dat met een tweevoudig amen antwoordt. De aanwezigen stemmen in met de lof op God – niet door Ezra’s woorden te herhalen, maar door twee keer amen te zeggen. En dat betekent; het is waar en het blijft waar; het is naar ons hart gesproken en onze mond spreekt het uit: de Heere is te loven en te prijzen. Dat amen moet Ezra als muziek in de oren hebben geklonken. Bovenal is de Heere Zelf verblijd geweest dat het volk zo ondubbelzinnig
instemming betuigt met de woorden van de voorganger, die God looft omdat Hij God is.
Dit gebruik van het woord amen kennen wij niet meer. Wij kunnen door het zingen van een psalm onze instemming betuigen met het gehoorde. Maar die psalm is voorgeprogrammeerd en mist het spontane, al zegt de wijze van zingen soms wel iets van de weerklank van het gehoorde. Maar dit amen van de gemeente is directer, persoonlijker en spontaner.
Overigens, al zeggen we na de preek geen amen meer – dat laten we aan de voorganger over – het is wel zaak dat we hartelijk instemmen met dat wat Gods Woord ons zegt en leert; dat we in ons hart amen zeggen en in ons leven dat amen waarmaken door te leven naar dat Woord. Amen – Heere, maak dat waar!
Ds. J.H. Velema
