
Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.
Johannes 13: 18b
De lijdenstijd is weer begonnen. De veertig dagen voor Pasen waarin we toeleven naar het sterven en de opstanding van de Heere Jezus Christus. In het Johannesevangelie beschrijft Johannes hoe de Heere Jezus de voeten van Zijn discipelen wast. De maaltijd stond gereed en Jezus legt Zijn kleren
af, deed een linnen doek om Zijn middel boog diep voorover en waste en droogde de voeten van Zijn discipelen. Zijn discipelen die zelf deze taak niet op zich wilden nemen omdat het het werk van een slaaf was. Simon Petrus weigert dan ook wanneer Jezus zijn voeten ook wil wassen. ‘U zult mijn voeten in der eeuwigheid niet wassen’. Petrus gebruikt grote woorden. Maar Jezus antwoord hem, ‘Als Ik u niet was, hebt u geen deel met mij’. Daarop wil Simon Petrus dat Jezus ook zijn handen en hoofd wast. Maar Jezus zegt, ‘dat wie gebaad heeft al rein is’ en dan is het alleen nodig dat voeten gewassen worden.
‘En u bent rein, maar niet allen’. Jezus weet dat er één onder hen is die Hem verraden zou. Eén van hen waarbij Jezus ook de voeten gewassen heeft. Een vriend, een leerling die al jaren met Hem onderweg was. Jezus wil dat Zijn discipelen Zijn voorbeeld volgen. Zij moeten doen zoals Hij hen het voorgedaan heeft. Ze moeten nederig en barmhartig zijn, dienstbaar en zichzelf niet boven een ander verheffen. Want een dienaar is niet meer dan zijn slaaf en een gezant niet meer dan wie hem gezonden heeft. ‘Als u deze dingen weet, zalig bent u als u deze dingen doet’.
Weten en doen zijn twee heel verschillende dingen. Jezus leert ons dat ze bij elkaar horen en op elkaar volgen. Hij wijst Zijn discipelen de weg dat zij wat ze geleerd hebben ook in de praktijk brengen. Daarin zit ook een les voor ons. Wij die Gods Woord uit genade ontvangen hebben. Die de Bijbel onder leiding van de Heilige Geest mogen lezen en leren verstaan. Wat een kennis doen we op over wie Jezus is. Waarom Hij gekomen is en hoe Hij wil dat wij Hem volgen en dienen.
Maar wanneer het bij kennis blijft en het niet verder komt dan ons hoofd zijn wij net als de discipelen die aan tafel gaan zitten met vieze voeten. Dan hebben we niet begrepen wat Jezus bedoeld. Dan kunnen we zomaar belanden in een vorm van wetticisme. Daarom is het noodzakelijk dat wat wij weten en kennen, dat het ons hart bereikt. Onze HC vr.21 leert ons dat een oprecht geloof aan de ene kant een stellig weten of kennen is waardoor ik alles voor waar houd wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. Maar het is ook een vast vertrouwen dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt.
Nu schrijft Johannes in 13: 2 dat de duivel Judas Iskariot in het hart heeft gegeven dat dat hij Jezus verraden zou. En Jezus weet ervan. Hij haalt daarvoor psalm 41 aan en zegt dat de Schrift vervuld moet worden. In psalm 41: 10 staat, ‘Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd’. Jezus past deze woorden op Zichzelf toe door te zeggen, ‘Wie mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd’.
Wat is dat vreselijk wanneer je zo bedrogen wordt! Een vriend, iemand die je vertrouwt wordt je vijand, een verrader. Jezus zegt dit over Judas. Iemand die samen met de andere discipelen heeft gepreekt, zieken heeft genezen in Israël. Hij wilde mensen tot Jezus brengen opdat ze vrede zouden hebben met God. En toch is hij in zijn hart een verrader. Van buiten is er niemand die het ziet. Maar Jezus ziet het hart aan. Niemand had dit van Judas verwacht. Maar eenmaal zal het openbaar worden. Hij zal Jezus verraden. Maar het is nog niet zover, al nadert Jezus’ sterven.
Dat brengt ons bij de vraag hoe het met ons hart gesteld is. Kennen wij de Heere Jezus? En hebben we Hem ook daadwerkelijk lief? U die misschien al zo lang met Jezus leeft. Die brood met Hem gegeten heeft en wijn gedronken. Bewaar uw hart dat het zich tegen Hem keert. Bid om bescherming tegen de duivel die ons hart in verwarring wil brengen. Leef dicht bij de Heere, laat Hem uw voeten wassen en volg Hem na. Niet uit eigen kracht maar onder leiding van de Heilige Geest.
ds. M.J. van Keulen
