
Nu dan, let toch aandachtig op, vanaf deze dag en daarna,
Haggai 2: 16a
Het is de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius dat de Heere met Zijn Woord kwam tot de profeet Haggai. Een rest is teruggekeerd uit de ballingschap in Babel. De herbouw van de tempel is begonnen. Het resultaat is niet zo mooi als in de glorietijd van Israël, toen koning Salomo de tempel bouwde. In vergelijking met de tempel van Salomo ziet het huis van de HEERE er nu maar armetierig uit. Maar de Heere bemoedigt Zijn volk. Het nieuwe huis zal niet minder zijn dan het oude. De heerlijkheid van het tweede huis zal zelfs groter zijn dan die van het eerste. Daar zal de HEERE zelf voor zorgen.
Wij kijken ook vaak terug naar vroeger. Vroeger was alles beter dan nu. Zeker als het gaat om de kerk. Kerken zijn vandaag veel leger of worden
zelfs gesloten. Er is onrust in het kerkverband. Zal het nog wel goed komen? Juist in die situatie is het HEERE Die Zijn kerk vasthoudt. Belangrijk is dat de HEERE er woont, dan is het goed. Zo mogen we verwachtingsvol naar de toekomst kijken en het van de HEERE verwachten.
In onze tekst geeft de HEERE het volk vervolgens een les over toewijding. Het volk had zich afgevraagd hoe het kwam dat ze niet gezegend
werden door de HEERE. Ze deden toch zo hun best. Ze ondernamen van alles. In hun ogen waren ze godsdienstig bezig. Maar alles wat ze ondernamen mislukte, hoewel ze toch hun offers brachten. De HEERE wijst hen dan op de reinheidswetten. Zo maakt Hij het volk duidelijk dat het onrein is vanwege de onwil die er was om de bouw van de tempel voorrang te geven. Het bouwen van eigen huizen en het bewerken van eigen grond had voorrang gekregen. Hun hart ging daarmee niet uit naar de HEERE maar was op henzelf gericht. Ze waren onrein door hun verkeerde houding. Daarom rustte er geen zegen op het werk.
Hoe staat het met onze houding? Waar is ons hart op gericht? Ook wij kunnen met een niet toegewijd hart de HEERE onze offers brengen. We
gaan naar de kerk, we lezen uit onze Bijbel en bidden elke dag. Maar de HEERE zetten we niet op de eerste plaats, die houden we voor onszelf.
De bouw aan Gods kerk, ons geestelijk leven moet plaats maken voor de bouw aan onze huizen, ons dagelijks leven in onze maatschappij. Kerkgang verslapt, er is weinig tijd voor stille tijd, er worden andere prioriteiten gesteld boven de inzet in het gemeenteleven.
Het resultaat is dat we horizontaal gaan leven. We rekenen niet met de Koning van de Kerk. We leven vanuit onze eigen gedachten en onze eigen
wil en laten ons niet langer leiden door Gods Woord en wil voor ons leven. En tegelijk zijn we verbaasd dat we zo weinig merken van de HEERE. Dat we geen zegen zien op alles wat wij ondernemen. God laat fysiek zien aan het volk in de dagen van Haggai hoe belangrijk Hij toewijding vindt. Hij wil dat we voor Hem leven en ons voor Hem inzetten. Vanaf het begin van de herbouw van de tempel geeft de HEERE Zijn zegen.
Dat die zegen ook ons gegeven wordt wanneer wij ons aan de HEERE toewijden. Samen bouwen aan Gods huis. Samen in de diensten Hem eren
en danken. Samen bidden of Hij het huis wil vullen met Zijn Heilige Geest en zegen. Dan hoeven we niet moedeloos te worden wanneer we naar de
toekomst kijken. Dan mogen we geloven en vertrouwen dat de HEERE het huis bouwt, dat Hij niet loslaat wat Zijn hand begonnen is. Dat is geen
verdienste op onze inspanning. Het is onuitsprekelijke genade.
Ds. M.J. van Keulen
